The Verve – Urban Hymns (1997)

The Verve - Urban Hymns ‘We need to start setting new standards. Make 1997 Year Zero. People say rock ‘n’ roll is dead. Is it fuck! [sic] It’s just that people’s imaginations have died.’ – Richard Ashcroft, zanger van The Verve.

1997 was het jaar dat The Verve herenigd werd en het album Urban Hymns uitbracht. Of het hun meesterwerk is, dat hangt natuurlijk van smaak af. De songs op het album zijn in ieder geval het meest succesvol gebleken – niet dat dit de graadmeter hoeft te zijn – met Bitter Sweet Symphony voorop. Letterlijk voorop, omdat het de eerste single van het album was, maar ook omdat dit de grootste hit was voor The Verve. Het succes werd echter niet omgezet in financieel gewin; Vrijwel alle opbrengsten van het nummer gingen naar Keith Richards en Mick Jagger.  Hierover later meer, het is één van die gevalletjes van pech waar de band vaker tegenaan liep. Toch zorgde Bitter Sweet Symphony voor een momentum, dat Urban Hymns veruit het succesvolste album voor de band maakte, er werden meer dan vijf miljoen exemplaren verkocht.

De plaat kwam nadat de band twee jaar uit elkaar was geweest. In die periode werd geprobeerd een nieuwe band te vormen met een andere gitarist/toetsenist, Simon Tong. Uiteindelijk moesten de bandleden toegeven dat het niet écht goed zou worden, zonder de originele gitarist Nick McCabe. Hij stemde in om terug te komen en ze gingen door met twee gitaristen. In de twee jaar daarvoor was al een groot deel van de tracks opgenomen. Maar pas toen McCabe zijn partijen had ingespeeld, was het album compleet.

Bitter Sweet Symphony, nummer 1 op het album, werd één van de grote zomerhits van 1997. Het was, zoals gezegd, de eerste single van het album en liet meteen weten dat de Verve terug was. Nog steeds zichzelf, maar niet bang om een mainstream publiek aan te spreken. De sample in het nummer is afkomstig van Andrew Loog Oldham ’s album met Rolling Stones muziek: The Rolling Stones Songbook – Instrumental Versions Of The Rolling Stones’ Biggest Hits. Een hele mond vol. Ik dacht persoonlijk altijd, dat de sample maar een klein deeltje was van Bitter Sweet Symphony, maar bij nadere beluistering blijkt het toch te gaan om het terugkerende vioolmelodietje, dat de basis van beide nummers vormt. Interessant is in deze, dat het Oldham niks uitmaakte dat ‘zijn’ sample werd gebruikt. Hij vond de nieuwe song schitterend en schreef in een brief aan The Verve, dat de Stones waarschijnlijk te oud waren om te herinneren waar ze de ‘riff’ zélf gejat hadden. Het probleem voor The Verve was echter, dat Allen Klein de rechten voor het vroege Stones repertoire in bezit had. Hij verbood de band in eerste instantie de sample te gebruiken. Het ging hem om niet om het geld – hij kon toen nog niet weten hoeveel, dus dat is op zich geloofwaardig – maar hij geloofde gewoon niet in sampling en al helemaal niet van Stones’ materiaal. Dit was toen al een vrij ouderwets standpunt. Uiteindelijk stond hij ze toe het nummer uit te brengen met Richards en Jagger als schrijvers en ontvangers van alle royalties. Richard Ashcroft, zanger van The Verve, kreeg enkel duizend dollar en de credits voor de tekst. Maar zoals die tekst zegt: ‘Trying to make ends meet , you’re a slave to the money then you die.’ Je moet geen slaaf worden en dat zijn de leden van The Verve gelukkig nooit geworden, bitterzoet is het wel. De tekst gaat erover dat mensen niet in een mal kunnen passen, in ieder geval niet allemaal in dezelfde. Rond de sample heeft de band een hele symfonie gebouwd. In die zin, doen ze de titel eer aan en is het op zijn minst dubieus, dat ze nul credits voor het nummer hebben gekregen. Het eenvoudige ritme van drummer Peter ‘Sobbo’ Salisbury zorgt voor het raamwerk waarbinnen de symfonie opgetekend kan worden. Nick McCabe zorgt voor wat vage effectjes, maar heeft geen hoofdrol. Dit was één van de nummers die eigenlijk al klaar was toen hij terugkeerde bij de band.

Sonnet is ook één van de juweeltjes die Richard Ashcroft al geschreven had. Hij schreef acht van de twaalf nummer op Urban Hymns, de rest wordt simpelweg toegeschreven aan ‘The Verve’. Sonnet begint met de akoestische gitaar van Richard Ashcroft, maar na tien seconden komt ritmegitarist Tong er al bij met staccato gespeelde akkoorden. Tegelijkertijd komt het fijne gitaargeluid van McCabe erbij, die de fills speelt en meteen meer op de voorgrond is. Ashcroft begint de tekst te zingen die open staat voor interpretatie. Het nummer is geen sonnet, dan zou het onder andere uit veertien regels moeten bestaan, maar er wordt wel naar het sonnet als dichtvorm verwezen. De hoofdpersoon zegt dat je ‘niet als een sonnet moet klinken’, sonnet is dan een metafoor voor deftig en/of gekunsteld. The Rolling People is één van die tracks die ontstaan is, nadat McCabe zich weer bij de band voegde. Je hoort wat hij, over het algemeen, voor richting aan de muziek gaf. Hij creëerde het liefst semi-psychedelische geluidslandschappen, gebaseerd op uitgebreide jamsessies. De speeltijd van 7 minuten en 1 seconde, is dan ook de langste van het album. McCabe is meteen aanwezig met een wah-wah pedaal  waarmee hij zijn gitaargeluid beïnvloedt. Het wah-wah pedaal, dat regelmatig opduikt op Urban Hymns, dankt zijn naam aan het feit dat het letterlijk een geluidseffect maakt, dat klinkt als ‘wah wah’. De naam is dus een onomatopee, maar dit is misschien niet geheel relevant hier. Belangrijker is dat McCabe hier met zijn wah-wah pedaal, in combinatie met zijn echo-effect, tal van golvende geluidsfragmenten oproept. Deze verraden de invloed van Jimi Hendrix, met name zijn album Electric Ladyland. De tekst van Ashcroft, die overigens alle teksten schreef, past goed bij de psychedelische aard van het nummer. Handelend over ‘rolling people’ die nooit stil kunnen staan, roept het een aantal schijnbaar losse beelden op, die toch één geheel vormen. Rond 2 minuut 30 worden het tempo en het volume even teruggeschroefd voor de aangename ‘brug’, Richard: ‘Thank you for my life, I said good night, good-bye.’ Daarna volgt eigenlijk een soort outro van vierenhalve minuut. Het heeft weinig zin om dat outro helemaal te beschrijven, het is eigenlijk een soort reis (trip) die je zelf moet maken. McCabe is de piloot en Ashcroft de steward die af en toe aanwijzingen geeft. Het vliegtuig wordt gevormd door ritmegitarist Tong en bassist Simon Jones. Drummer Peter Salisbury is de lucht onder vleugels, die alles zwevende houdt.

The Drugs Don’t Work is veel minder trippy. In plaats daarvan: Met beide benen op de grond en persoonlijk. Het begint met strijkers, gearrangeerd door Wil Malone, een tokkelende gitaar en één ritmegitaar. Dan Ashcroft die erin komt met ‘All this talk of getting old, it’s getting me down my love. Like a cat in a bag, waiting to drown, this time I’m comin’ down.’ Na het eerste couplet een smaakvol partijtje van McCabe, die daar gedurende het nummer mee doorgaat. Hij laat horen dat hij ook met een slide overweg kan. (Een slide is een buisje, zij het van metaal, glas of keramiek, dat je over de snaren beweegt. Hierdoor kun je van de ene toon naar de andere ‘glijden’ en alles daartussenin horen.) Deze perfecte jaren negentig ballad gaat mogelijk over de vader van Ashcroft, die overleed toen de toekomstige zanger elf was. Er zijn aanwijzingen hiervoor aanwezig in de tekst, maar die kan ook gaan over een verloren liefde. Zoals de meeste goede teksten multi-interpretabel, lijkt de schrijver wel duidelijk over het feit dat drugs niet werken. In ieder geval niet voor verwerking. Enkel de gedachte aan iemand en dat je diegene terug gaat zien – al dan niet in het hiernamaals – kan troost bieden. Catching The Butterfly is net als The Rolling People meer een jam-gebaseerd nummer. De albumtrack is een ‘terug geknipte’ jam van dertig minuten. De afwisseling tussen de radiovriendelijke songs, geschreven door Ashcroft en de langere nummers die later ontstaan zijn, dragen bij aan de kwaliteit van dit album. Het is als de opvolging van dag (realiteit) en nacht (dromen). In Catching The Butterfly heeft Ashcroft het dan ook over zijn ‘lucid dreams’, ‘private dreams’ en ‘forgotten schemes’. In de dromen wil hij de vlinder pakken, die een metafoor voor geluk zou kunnen zijn. Om de droom in te leiden, begint het nummer met een geluid dat wel lijkt op de sonar van een onderzeeër… Een geluidje dat voortdurend zal blijven terugkomen in het nummer. Vervolgens bijna meteen drie gitaartracks tegelijk in je oor. Op de meeste nummers op het album zijn wel meer dan twee gitaartracks te horen, maar het gaat mij geen enkel moment storen. De nummers zijn wel rijk qua geluid, maar niet overbevolkt met geluidssporen, een prestatie van de band en de twee producers. De basis van Catching The Butterfly wordt gelegd door het funky drumwerk van Salisbury, dat vrijwel zeker – bewust of onbewust – is geïnspireerd door The Stone Roses drummer Alan John “Reni” Wren.  Een heerlijke beat, uitermate geschikt om overheen te improviseren, een kans die McCabe niet laat schieten. De zang van Ashcroft is enigszins monotoon, wat goed past bij het dromerige, meditatieve karakter van ‘Butterfly’. Aan het eind van het nummer horen we twee ‘Richard Ashcroften’ door elkaar, die bijdragen aan de het neo-psychedelische kararkter. Neon Wilderness is een soort muzikaal intermezzo, geschreven door Nick McCabe. Het enige nummer dat alleen aan hem wordt toegeschreven, toont voor mij aan dat toch met name de combinatie McCabe-Ashcroft, het beste werkt. Ik heb dit nummer persoonlijk altijd een beetje gezien als een opvuller, wat op zich overbodig is, omdat Urban Hymns een dubbelaar is van vijfenzeventig minuten. Er is overigens wel een tekst te horen, maar die is zo vaag en moeilijk te verstaan dat ik hem eigenlijk niet meetel. Dit nummer sluit kant 1 van het album af en laat je in ieder wel achter met een nieuwsgierigheid naar kant 2 tot en met 4.

Kant 2 start weer erg sterk met Space And Time. Wederom zijn er strijkers aanwezig en tweede stemmen van Ashcroft zelf. Rond een minuut of twee horen we McCabe zijn reverse delay gebruiken, eigenlijk een apparaatje dat je gitaargeluid opneemt en omgekeerd afspeelt. Dit zou hij ook bij Jimi Hendrix gehoord kunnen hebben (o.a. Castles Made Of Sand). Het geeft in elk geval een soort zuigend effect op je gitaargeluid. De tekst van Space And Time gaat, grappig genoeg, juist over het gebrek aan tijd en ruimte. Je moet volgens Ashcroft in het hier en nu leven, dan heb je geen tijd en ruimte nodig. Vooral niet als je liefde met iemand deelt, dan is ‘zijn’ alles wat je nodig hebt; ‘If we really care and if we really loved, think of all the joy we’d feel. (…) I Just can’t make it alone (…) There is no space and time, oh lord. We have existence and it’s all we share.’ Het lied eindigt met de laatst geciteerde zin en een andere zin door elkaar. De andere zin meldt dat de zanger blijft proberen, want hij weet dat ‘het’ er is. Dus of hij zijn geliefde al gevonden heeft en of de liefde al tot bloei is gekomen, is niet helemaal duidelijk. Opvallend qua geluid is dat de gitaarsounds in het refrein vrij hard en verstoord zijn. Het wordt echter niet te zwaar, het blijft op één of andere manier wel mooi en licht klinken, een kwaliteit die over het hele album te horen is.

De Weeping Willow, oftewel de treurwilg, in nummer 8 komt pas aan het eind in beeld. Voor die tijd beelden van een liefde die… ja wat is er eigenlijk mee? Er is in ieder geval liefde geweest, maar ‘It slipped right out again’ en nu moet de hoofdpersoon gered worden. Hij heeft iemand nodig die naast hem staat. En anders zijn er nog altijd de pillen onder zijn kussen en het wapen onder het kussen van zijn geliefde. Met de treurwilg erdoor verweven in de tekst. Een wat lugubere, overbodige toevoeging aan een verder prachtig nummer. De wah-wah krijgt al vanaf het begin een hoofdrol tot mijn grote genoegen. Bassist Jones durft hier, meer dan in de andere nummers, hoge noten op te zoeken. Ook speelt hij stukjes met de gezongen melodielijn mee, waardoor je een interessant gelaagd toonbeeld krijgt. Bij tijd en wijlen hoor je drie ‘Ashcroften’ door elkaar. Alles eindigt met een echo geluid van McCabe die zijn echo (delay) effecten perfect beheerste. Ook op het nummer Lucky Man is de echo prominent aanwezig, op het gitaargeluid en de stem van Ashcroft. Je hoort in het intro geen drum en bas, wel verschillende gitaartracks, waaronder een akoestische. Pas na veertig seconden komt de ritmesectie erbij om de nodige fundering neer te leggen, hoewel het geheel toch licht en sprankelend blijft. Het nummer was de derde single die verscheen van het album en is een goede showcase voor de kracht van The Verve. Een tekst die lichtelijk vaag is, gezongen door enkele stemmen door elkaar heen, de echo-gitaar van McCabe en dit alles op een bedje van akoestische gitaar en strijkers. Zoals de titel Lucky Man al doet vermoeden, is dit een vrij vrolijk nummer, ook qua tekst. Maar toch is er die typische onzekerheid van het album, die af en toe richting melancholie gaat. Wel ‘happiness’, maar meteen erachteraan ‘more or less’, of: ‘Happiness, coming and going’. De verteller heeft een liefde die nooit sterft, maar alle liefde zit wel in zijn geest. Het blijft dus de vraag of zijn liefde beantwoord is, wordt of zal worden: ‘I watch you look at me, watch my fever growing. I know (…) I’m a lucky man.’

Het nummer One Day begint, verrassend, met keyboardspel van Simon Tong met een mooi tremolo effect erop. Het geluid is orgel-achtig, wat een bijna kerkelijke sfeer oproept. Dit blijft wel enigszins zo, ook als gitaren, zang en bas erbij komen. Na het eerste couplet valt de drummer in. McCabe de leadgitarist, zorgt voor subtiele effecten tussendoor. Was Lucky Man al voorzichtig vrolijk, dan is One Day – voor The Verve’s doen – uitzinnig positief.  Het gaat erover dat je de schoonheid van het leven moet zien, voelen en niet bang moet zijn. Dan vind je (en de verteller) de liefde. Het enige minpuntje: dat bereik je pas ‘one day’ – eens. De tekst van This Time, nummer 11 op het album, heeft ongeveer dezelfde strekking. Dit wil echter niet zeggen dat het afgezaagd wordt. Het gaat erover dat je niet het voorbeeld moet volgen van de verteller, namelijk: Terugkijken op je leven en denken ‘had ik maar dit… had ik maar dat…’. Nee, je moet het moment pakken en genieten van de mooie dingen. Ik heb altijd de neiging om iets dergelijks te zeggen tegen mensen die bij een concert op hun telefoon staan te kijken, hoe ze zelf iets filmen. ‘Dan zie je alles door een filter,’ denk ik dan; geniet en kijk écht live. Of zoals Ashcroft het zegt: ‘Good times, so hard to hold. This time I’m gonna find, (…) this time I’m gonna rise into the light. In or out of time.’ Want tijd is relatief, vooral op de mooie momenten, Einstein wist het al. This Time begint met een ontzettend fijn ritme, wederom aan de Stone Roses herinnerend. Je vraagt je bijna af waarom dit lied nooit gesampled is in een hip-hop nummer. Door het ritme, de terugkerende gitaarrifjes en een stijgende en dalende basriff, krijgt het nummer een zeer aangename trippy flow (excuses voor de Engelse terminologie, maar ik weet hier geen Nederlandse woorden voor).

Nick McCabe utiliseert zijn slide wederom op Velvet Morning. Een verrassend simpele riff, in feite gewoon één keer naar beneden en één keer omhoog in toonhoogte. Strijkers versterken het gecreëerde rustgevende effect, totdat de zin ‘Another velvet morning for me’ gezongen wordt, dan komt het zwaardere gitaargeschut erbij. Na de eerste ‘Another velvet etc.’ komt het tweede couplet en dan nog een keer de zin die dan een pre-chorus vormt. Het refrein (chorus) is in een ander ritme gezet, waardoor het extra eruit springt, meer swingend dan de rest. De tekst is voor mij wel erg aan de psychedelische, waarschijnlijk onder invloed geschreven, kant. Dit in tegenstelling tot de muziek, die eigenlijk veel meer popmuziek is dan de rest van het album. Een interessante combinatie, waar je nog steeds prachtige zinnen uit kunt halen zoals: ‘Yes I’m coming down. Your beauty is, a color surround. Into the half light, another velvet morning for me’. Luister ook naar de tweede stem bij de woorden ‘color surround’; Kippenvel.

Het laatste nummer bestaat eigenlijk uit twee tracks, de eerste, Come On duurt 6 minuut 40. De tweede verborgen track, Deep Freeze begint na een stilte van zes en halve minuut. Come On is het eerste nummer geschreven door The Verve als band, na vijf nummers van Ashcroft. Dit hoor je duidelijk aan het feit dat het meer een riff-gebaseerd jamnummer is. De riff in het refrein is een zwaar juweel, dat niet zou misstaan op een Led Zeppelin album. Jimmy Page was een gitarist die bijna onbewust een inspiratie werd voor Nick McCabe, omdat zijn ouders er zoveel naar luisterden. Over de heftige tonen van het refrein zingt Ashcroft, die een soort spiritueel leider is op dit nummer en je verzoekt mee te gaan: ‘Come on!’. Rond twee minuut dertig een break, waar enkel wat gitaareffecten en de drumsound overblijven. Hier wordt de spanning lekker opgebouwd om helemaal los te komen in het coda met zijn eigen riff. McCabe mag lekker zijn gang gaan en Ascroft laat zich ook niet onberoerd. Of ‘this is a big fuck you’, keer twee, nu nodig was geweest, daar kun je je vraagtekens bij plaatsen. De verborgen track is een soort geluidslandschap zonder tekst, waarbij het lijkt of iemand in het begin aan de draaiknop van je radio zit te draaien, om de frequentie te veranderen. In 1997 hadden radio’s nog dergelijke knoppen, namelijk. Door een soort kosmisch toeval, komen we terecht bij een huilende baby en een vaag herhalend deuntje. Volgens mij wordt er gespeeld met een gitaar, een toetseninstrument en verschillende effecten.

Urban Hymns is één van die albums die zowel commercieel succesvol, als kwalitatief zeer goed zijn gebleken. Voor mij heeft het absoluut de tand des tijds doorstaan. Wel heb ik het altijd jammer gevonden dat de grijsgedraaide single Bitter Sweet Symphony, maar één kant van de band laat zien, die bovendien niet eens representatief is.

De kracht van dit album ligt voor mij, zoals zo vaak, in de spanning tussen de leadgitarist (McCabe) en de zanger (Ashcroft). Dat Ashcroft al een hoop nummers had geschreven en opgenomen met ‘The Verve min één’, had verkeerd af kunnen lopen. Maar in plaats daarvan is het zeer goed uitgepakt. Toen de eerste Ashcroft-nummers waren opgenomen, onder leiding van producer ‘Youth’ (Martin Glover), voegde McCabe zijn gitaarpartijen toe. Het was alsof de band met Ashcroft een schilderij in zwart-wit had geschilderd. McCabe kleurde het geheel in, waarna het meesterwerk Urban Hymns pas echt af was. Met de toevoegingen van McCabe op band, werden er nog met de complete Verve tracks neergelegd. Er werd een andere producer bij gehaald, genaamd Chris Potter en die gaf ze wat meer tijd om te jammen en improviseren. Het verschil tussen de twee groepen tracks is goed hoorbaar en ze vullen elkaar perfect aan. Je kunt het zien als Ashcroft – McCabe, Dag – Nacht , Licht – Zwaar, Realiteit – Droom, Zacht – Hard, of vul maar in. Feit is dat het werkt.

9,0

Over Berrie Reijs

Berrie Reijs
Sinds de cassettebandjes in de auto op weg naar de zomervakantiebestemming ben ik geobsedeerd door muziek. Veel van de artiesten die toen voorbij kwamen zijn nu deel van mijn platencollectie. Later is mijn smaak breder geworden en vandaag gaat die van country via punkrock naar hiphop en weer terug. Ik sluit me in deze volledig aan bij Jimi Hendrix die stelde dat er maar twee soorten muziek bestaan: Goede en slechte. Schrijven vind ik een aangename bezigheid en door te schrijven voor deze site, wil ik mensen kennis laten maken met de muziek waar ik van houd en mijn schrijfstijl.

Lees ook eens

The Replacements - Let It Be

The Replacements – Let It Be (1984)

Is dit een grap? Let It Be is toch een album van de Beatles? Dat …

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *