Nederlandse opnamestudio GTB

Hoe Nederlandse opnamestudio’s de Nederpop vormden

Een van de mooiste pophistorische boekuitgaven van 2017 is Dutch Mountains over de Nederlandse platenindustrie. Platendraaier las niet alleen het boek, maar luisterde ook naar de goudgekleurde vinyl-lp die deel uitmaakt van de collector’s edition van het boek. We vroegen schrijver Peter Voskuil naar de keuze van tracks op die plaat. De auteur vertelt waarom hij bijvoorbeeld Cry me a river van Hu and The Hilltops uit 1966 selecteerde. 

Een wervelwind aan veranderingen waait in de jaren zestig door de internationale popmuziek. Sinds de Tweede Wereldoorlog is ritme een steeds belangrijkere rol gaan spelen. Na de rock-’n-roll uit Amerika waait de beat over uit Engeland. Het zijn ritmes die het Nederlandse studiopersoneel voor technische problemen stellen. Nederlandse technici kunnen bas, drums en gitaren maar moeilijk kwijt op de band.

Engeland

Terwijl in het buitenland de studio uitgroeit tot een geluidslaboratorium voor popgroepen, een instrument op zichzelf, zijn de omstandigheden in de Nederlandse studio’s ronduit slecht. Nederlandse platen worden op de radio weggeblazen door de Amerikaanse en Engelse concurrentie. Massaal vluchten de Nederlandse beatgroepen daarom naar Engeland om daar hun platen op te nemen. Nederlandse studio’s zijn vooral ingesteld op klassieke muziek. Om hele orkesten en ensembles te kunnen huisvesten is de studio van platenmaatschappij Phonogram – marktleider in Nederland – aan de Honingstraat in Hilversum bijvoorbeeld heel ruim. Voor popgroepen geeft dat een beroerde akoestiek. Erger nog is de instelling van het studiopersoneel. ‘Technici zaten bij onze eerste opnamen nog nét niet met hun vingers in hun oren achter de mengtafel als wij speelden’, herinnert Rinus Gerritsen, de bassist van The Golden Earrings, zich nog. Gevoel voor popmuziek en tijd om te experimenteren is er midden jaren zestig eigenlijk nauwelijks in de Nederlandse studio’s.

Honingstraat
Phonogram Studio Honingstraat


GTB Studio’s

De eerste die daar verandering in brengt, is Erik Bakker van de GTB Studio’s in Den Haag. Zoon Erik wordt halverwege de sixties mede-eigenaar van de geluidsstudio van zijn vader. “De andere studio’s namen die herrie wel op, maar waren verder niet geïnteresseerd. Ze lazen bij wijze van spreken de krant tijdens de opnamen. Bovema wilde in het begin helemaal geen popgroepen opnemen, want dat was langharig werkschuw tuig”, vertelt Erik Bakker in 1997 in het laatste interview voor zijn dood. Broer Evert-Jan Bakker: “Erik vroeg: welke sound wil je hebben? Die vraag was in andere studio’s ondenkbaar. En hij communiceerde vervolgens heel goed waarom hij wat deed.” Erik Bakker is onder andere baanbrekend in het opnemen van drums. Hij bouwt een zwevende vloer, wat akoestisch een prachtig geluid geeft. Dat prachtige geluid neemt hij vervolgens weer op met speciale bol-microfoons. Zelfs stilte klinkt bij GTB anders: de Bakkertjes haten ruis en doen alles om dat weg te nemen.

GTB Studios
Erik Bakker – GTB Studios


Cry me a River

De eerste sensatie veroorzaakt GTB met de Polydor-opname van Cry me a river van Hu and The Hilltops in 1966. Insiders die deze plaat voor het eerst horen, geloven niet dat die in Nederland is gemaakt. Freddy Haayen, hun producer, is superenthousiast over het werk dat GTB met de single aflevert. Hij brengt vanaf dan al zijn groepen naar GTB, waaronder ook The Golden Earrings. Bij The Earrings ontpopt drummer Jaap Eggermont, die ook een technische opleiding heeft, zich al snel tot partner in crime van Erik Bakker. De twee zijn gek op experimenten en liggen menigmaal samen op de grond aan de apparatuur te sleutelen om iets voor elkaar te krijgen. “Erik was een hele square gast”, herinnert Eggermont zich. “Niet eens een enorme liefhebber van popmuziek, maar wel iemand die de uitdaging helemaal aanging. Een technofiel, die heel goed kon analyseren hoe dingen werkten. Ssshh hoor je bijvoorbeeld op de radio wel, maar ffff valt totaal weg. Zeker op de middengolf. Daar was hij goed in, om dan een cymbal bijvoorbeeld sssh te laten doen in plaats van ffff. (…) Erik zag het gat in de markt, voelde zich uitgedaagd en hielp de Nederlandse popmuziek daarmee een stap vooruit.” Veelgevraagd sessiemuzikant Cees Schrama: “Er ging bij GTB eigenlijk nooit wat fout, wat je in andere studio’s wel had. Ik heb met Jos van Ditmars bij Phonogram meegemaakt dat hij zo aan het klooien was, dat er uit geen enkele speaker of hoofdtelefoon nog geluid kwam. Werden we naar huis gestuurd.”

Ook Peter Koelewijn gaat al snel zijn opnames bij GTB aan de Jan van Nassaustraat maken. Met Ronnie & de Ronnies produceert hij er bijvoorbeeld de hit Beestjes. “Drums en bas waren daar echt fantastisch”, aldus Koelewijn. “GTB liep echt voorop in het begin. Je moet je voorstellen dat er tot die tijd eigenlijk niets was. Luister bijvoorbeeld Kom van dat dak af maar terug. Dat klinkt echt voor geen meter. Terwijl vijf jaar daarvóór al de meest fantastische opnamen uit het buitenland kwamen. Little Richard, Fats Domino, noem maar op. GTB heeft dat hier in gang gezet.”

Cry me a River hoesje
Hu and the Hilltops – Cry me a River


Stereorage

GTB stapt al in 1966 als eerste studio in Nederland op acht opnamesporen over. Dat is hard nodig, omdat de stereorage is uitgebroken en consumenten niets anders meer willen dan stereoplaten. Stereo schreeuwt om extra opnamesporen. De uitbreiding van aantallen opnamesporen verloopt echter traag in de Hollandse studio’s. Bovema neemt tot medio 1966 nog op drie sporen op; Phonogram gaat eind ’66 over op vier sporen. Ook als het om limiters, filters en het snijden van platen gaat, heeft Nederland het grootste deel van de jaren ’60 een behoorlijke achterstand. Limiters halen pieken weg en zachte passages omhoog. Zonder goede limiters blijft van wat in de studio fantastisch lijkt op de radio een iel, dunnig geluidje over. Door de pieken eruit te houden, kun je het gemiddelde volume omhoog trekken. “Een limiter brengt alles naar elkaar toe. Als je namelijk het geluid weergeeft zoals het in werkelijkheid is, valt heel veel weg. Een radio heeft een beperkt spectrum en haalt anders hard en zacht weg. Alles moet in een bepaalde bandbreedte qua volume”, legt studio-expert Bavo Dekker uit. Hij werkt niet alleen jarenlang in opnamestudio’s, maar handelt ook in studioapparatuur en neemt daardoor bij nagenoeg alle grote en belangrijke studiocomplexen van de wereld een kijkje in de keuken. Op de radio is dus behoefte aan constant volume. Wie zich niet aan de standaard houdt, wordt door de radiostations niet gedraaid. Omdat de stations alles op hetzelfde volume afdraaien, kun je met een plaat alleen nog de aandacht van de luisteraar trekken door een schijnbaar harder geluid te creëren. Daarvoor zijn limiters onmisbaar.


Pultec

Met filters kun je daarbuiten nog klanken kleuren. Dekker: “Je kunt filters hebben die perfect werken, maar toch niet klinken. De filters van Pultec – dat is een heel beroemd merk – zijn bijvoorbeeld heel muzikaal. Elk geluid wat je daar in stopt komt er wonderbaarlijk veel beter uit, lijkt het wel. Dat zijn legendarische apparaten geweest. Daar zit iets van magie in, in die filters. Maar Pultec is nooit naar Nederland gekomen.” En dan is er nog de cutter, die het belangrijke proces van geluid van band naar een plaat snijden voor zijn rekening neemt. Dekker: “Heb je te veel pieken in het geluid dan heb je kans dat er op bepaalde plaatsen vervorming optreedt. Nederlandse snijders namen daar lange tijd geen enkel risico in en maakten dan de plaat als geheel wat zachter. Dan wordt je hele plaat dus zachter vanwege een piekje van een seconde of wat.”

De achterstand op al deze gebieden is minder onschuldig dan het lijkt: het zorgt ervoor dat op de radio Nederlandse platen weggeblazen worden en veel minder overweldigend zijn dan Amerikaanse, Engelse of zelfs Duitse. Oftewel: het nationale product kan de internationale concurrentie het grootste deel van de tijd niet aan. Dekker: “Ik heb daar Peter Koelewijn wel eens over gesproken. Die dacht in die tijd oprecht dat de Amerikanen geheime apparatuur hadden. En in zekere zin had hij daarin gelijk. Want toen ik in studiospullen ging handelen, ontdekte ik dat die Amerikanen dus die hele goede Fairchild-limiters en Pultec-filters hadden. Dat was standaardapparatuur in Amerika en hier hadden we dat nog maar mondjesmaat.” Daarnaast speelt volgens een andere expert, Jan Schuurman (achtereenvolgens technicus bij Phonogram, Soundpush en zijn eigen studio) voltage een rol. “Lage tonen klonken op Amerikaanse platen veel mooier, klonken veel langer door”, aldus Schuurman. “We hebben echt met banden uit Amerika als voorbeeld geprobeerd dat ter plekke na te maken, maar we kregen het niet voor elkaar. Hele zoektochten waren dat. Tot ik er achter kwam dat het met de voltages te maken had. Nederland heeft 220 volt en daar past 50 Hertz bij, zij hebben 110 volt en dat is 60 Hertz. Dat is het grote verschil.”

GTB Studios
GTB Studios


Artificial double tracking

Tot overmaat van ramp wordt in de Abbey Road Studio’s midden jaren zestig een vinding gedaan die de achterstand nog groter maakt. Om volle, gelaagde vocalen te krijgen, staan The Beatles eindeloos over hun eigen stemmen heen te zingen. In april ’66 vindt technicus Ken Townshend daar een oplossing voor: ADT, artificial double tracking. Tijdens het inzingen wordt het geluid op een tweede recorder opgenomen en dan weer terug geleid naar de originele band. Door de weg via de tweede taperecorder arriveert de opgenomen en opnieuw doorgestuurde vocal met een kleine vertraging, waardoor het net lijkt of er twee stemmen met elkaar meezingen. Townshend sluit een apparaat aan dat de snelheid van de tweede recorder ietwat varieert, waardoor de gekopieerde stem steeds net iets onder of boven het rechtstreeks opgenomen stemgeluid uitkomt en het klinkt alsof het in een aparte take opnieuw ingezongen is. In de studio’s aan de overkant van de Noordzee vallen de nieuwe platen van The Hollies en The Beatles direct op. Hoe zijn die prachtig klinkende koren met over elkaar liggende vocalen in godsnaam gecreëerd?

Bij Philips weten ze na talloze proefopstellingen het ADT-effect te achterhalen. Het probleem is alleen dat het implementeren ervan duur is: er moeten nieuwe machines voor aangeschaft worden. Machines waarvoor in de controlekamer geen ruimte meer is en waarvoor een kostbare verbouwing nodig is van de studio in de Honingstraat. Zoveel geld investeren in een geluidseffect gaat de verantwoordelijken te ver. Studiotechnicus Peter Nuijten: “Dat was ook een marktkwestie. Phonogram en veel andere maatschappijen konden dat niet behappen, daarvoor was de Nederlandse markt te klein. De Nederlandse studio’s waren daardoor lange tijd niet goed in het dubbelen van stemmen. De hoge platenbazen in Nederland hadden zoiets van: los maar op een andere manier op, met een orkest of zo.” Dat is volgens Nuijten een van de redenen dat bijvoorbeeld een arrangeur als Bert Paige lange tijd zo kan excelleren in de Nederlandse popmuziek. Hij krijgt alle ruimte voor zijn arrangementen. “Omdat we dus niet zo goed waren in het dubbelen van stemmen, probeerden we dat met violen en orkesten op te vullen en zo het geluid minder iel te laten klinken.”


Kaasschaaf

Ook Phonogram-technicus Audier bestudeert de limitertechniek diepgaand. Hij doet snelheidsproeven waarbij hij de door Philips zelfgebouwde 3D 904-limiter vergelijkt met de Fairchild 660-limiter uit Amerika. Zijn conclusie is dat de op klassieke muziek afgestemde Philips-limiters lui en traag zijn in hun attack (reactiesnelheid bij intreden compressie) en release (hersteltijd na compressie). Die punch wil Audier niet verloren laten gaan. Hij besluit een eigen limiter te bouwen. Na heel wat avondjes solderen en hobbyen komt hij met zijn zelfbouwlimiter aanzetten. Omdat er geen kast omheen zit en alleen een zwart front met onafgewerkte knoppen ziet het ding eruit alsof hij zo van de plank met afdankertjes bij de reparatieafdeling vandaan komt. Zo heeft Audier voor de aan- en uitschakelaar een koffiezetapparaat uit elkaar gesloopt. Qua prestaties overtreft de zwarte oerlimiter van Audier echter alle verwachtingen. Hij is gebouwd volgens het kaasschaaf-principe. “Door er in beetjes steeds iets af te halen en signaal terug te sturen is de limiter minder hoorbaar”, legt de technicus uit. “Dat geeft een veel subtielere manier van limiten dan alles er in een keer afhalen.”

Bij de toepassing in de studio loopt Audier tegen een probleem aan: het is geen Philips-apparatuur en zijn limiter mag daarom niet zomaar gebruikt worden. Audier weet uit ervaring hoe bureaucratisch dat soms kan werken. Tapes die worden ingekocht mogen soms pas na weken testen worden gebruikt. “Dat apparaat van mij moest dus ook eerst weer in Baarn getest worden”, herinnert Audier zich. “Maar ik dacht: je kan me wat. Dus die lag onder een dekentje in mijn auto en ’s avonds als iedereen weg was, haalde ik hem uit mijn auto. Ik plugde mijn eigen apparaat bij de eindmix rechtstreeks de mengtafel in.” Alles wat door de limiter van Audier gaat, klinkt geweldig. De eerste band die daarvan profiteert is Q65 uit Den Haag – op dat moment de ruigste band van Nederland. Begin september 1966 verschijnt de lp Revolution van Q65 op de markt.

Phonogram Studios Jan Audier
Phonogram Studios Jan Audier


Venus

Audiers baanbrekende werk praat zich snel rond in het wereldje. In 1968 stapt Audier over naar de Soundpush Studio. Onder zijn arm neemt hij zijn zelfgebouwde limiter mee. In de zomer van 1969 zal het apparaat twee magische maanden dienst doen in die studio bij de opname van drie regelrechte Nederpopklassiekers: Venus (Shocking Blue), Little green bag (George Baker Selection) en Ma belle amie (Tee Set). Nummers die voor een omslag in de Nederlandse popmuziek zorgen en de Amerikaanse hitparade veroveren. Venus haalt zelfs de eerste plaats van de Amerikaanse Billboard Hot 100. Ineens blijken we de concurrentie met Amerikaanse platen wél aan te kunnen. Vanaf dan tellen we mee in de internationale popwereld. Meer Nederlandse artiesten beginnen in de jaren zeventig internationale hits te scoren, van Focus en The Golden Earring tot aan Pussycat en The Cats. Cry me a river van Hu and The Hilltops en (verderop op de lp bij de collector’s edition van Dutch Mountains) ook I got nightmares van Q65 zijn de vergeten getuigen van het pionierswerk dat aan die wereldhits vooraf ging in de Nederlandse opnamestudio’s.

Over Hugo van den Bos

Hugo van den Bos
Als muziek- en vinylliefhebber ontwikkelde ik in 2011 de site Platendraaier, om een overzichtelijk platform te bieden met informatie over platenbeurzen, platenzaken en bijzondere hoezen. In de loop van de jaren zijn hier diverse onderdelen bijgekomen zoals een concertagenda, een lijst van poppodia en een overzicht van verschenen muziekdocumentaires. Eind 2013 startte ik de muziekblog, waarop door mij geschreven albumrecensies, concertverslagen, muzieklijstjes en artikelen over platenzaken te vinden zijn. Andere activiteiten: ontwerpen en programmeren van websites, backpacken door verre oorden, bekijken van complexe films, actief meedenken bij tv quizzen, kilometers vreten op de mountainbike en als wandelaar, drinken van kwaliteitskoffie, smikkelen van de binnen- en buitenlandse keuken en genieten van speciaalbieren.

Lees ook eens

Dutch Mountains Prijsvraag

Dutch Mountains Prijsvraag

Bezig met laden…

Een reactie

  1. Super om te lezen, groetjes Michiel van Haagen

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *